
Hier zie ik de zeeman,
Rochelend naar adem happen.
Proestend spuugt hij,
Het zeewater uit.
Het natte zand kleeft aan zijn gezicht
en kledij.
Wankelend vindt hij
onder het maanlicht steun.
Verdwaasd zoekt hij
naar veiligheid.
Door zijn halfdichte ogen,
Valt een schemering op.
Met elke stap verscherpt het beeld.
Zijn laatste adem nabij,
Zwiert hij de deur open
Van een schuilhut.
Het houten interieur,
Maakt hem rustig.
In de schemer vloeit zijn lichaam neer.
De pikzwarte nacht,
Valt diep over het strand.
Achter zijn gesloten ogen,
Wacht geschreeuw en gekerm.
De ochtend lijkt,
Een verre droom.

